Iedereen doet mee - Keer het omKeer het om ?>
f l s
_

Iedereen doet mee

 

Bij het vraaggestuurd werken staan alle bewoners in de wijk centraal. Iedereen die ideeën heeft voor de wijk en/of zich in wil zetten is van harte welkom. Arm of rijk, jong of oud,  hoog of laag opgeleid, dik of dun, werkend of werkloos, iedereen doet mee!

Om daadwerkelijk zaken van de grond te krijgen is ieders inzet van belang. Dit sluit naadloos aan op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Het is zaak de kracht van de (mensen in de) wijk maximaal te benutten. De aanpak richt zich dus niet specifiek op de meest kwetsbaren. De ervaringen in bijvoorbeeld de gemeente Deventer leren wel dat deze groep het meeste baat heeft bij de aanpak.

Het specifiek richten op de meest kwetsbaren heeft nog een ander negatief effect. Het werkt stigmatisering in de hand. Stigmatisering kan volgens Goffman(1963) verschillende consequenties hebben. Ten eerste dat een persoon op basis van het afwijkende kenmerk (zoals bijvoorbeeld armoede) ook andere zaken krijgt toegekend zoals ‘die zal wel lui zijn’. Ten tweede kan het stigma leiden tot het vermijden van sociale contacten. Hierdoor kan men in een sociaal isolement raken waardoor de kans op depressie en onaangepast gedrag toeneemt. De tegenovergestelde reactie die ook voorkomt is het dusdanig overdrijven van het aangaan van sociale contacten dat de sociale omgeving dit over het algemeen niet waardeert. Ten slotte kan een stigma gebruikt worden als excuus voor het niet aangaan van uitdagingen. Genoeg reden om erg voorzichtig te zijn met het plakken van stikkers zoals minima, werkloze, autist, etc.

Het onderzoeksbureau Motivaction heeft in 2009 onderzoek gedaan naar burgerschapsstijlen. Dit met name om te kijken naar de oorzaak van de houding van mensen naar de (semi) overheid. In het onderzoek worden de volgende vier verschillende types onderscheiden: de plichtsgetrouwen, de pragmatici, de verantwoordelijken en de buitenstaanders. Vooral de laatste groep is interessant en kenmerkt zich door:

  • Benadering als afwachtende klant, oplossing moet gemakkelijk en kant en klaar.
  • Inactief, wantrouwend als participant.
  • Intolerant en egocentrisch.

Motivaction schat in dat ongeveer 32% van de Nederlanders tot de groep van buitenstaanders behoort. Binnen de wijken waarop het participatiebeleid zich richt, ligt het percentage buitenstaanders naar schatting tweemaal zo hoog.

Een project, aanpak of organisatie kan, voordat er ook maar iets is gedaan, op zijn beurt ook last hebben van een stigma dat bijvoorbeeld wantrouwen vanuit bewoners met zich mee brengt. Daarnaast kan er door communicatie van en over het project een extra stigma ontstaan. Neem bijvoorbeeld een project dat armoede aanpakt. Wanneer men dit project een minimaproject of armoedeproject noemt, zal het erg lastig worden om hier bijvoorbeeld vrijwilligers voor te vinden. Dit omdat niemand geassocieerd wil worden met minima of armoede. De naam van het project is hier natuurlijk maar een klein onderdeel van. Het belangrijkste is dat het project een open en positief karakter heeft. Iedereen kan en mag meedoen!

Tegelijkertijd maakt de kwetsbare groep wel onderdeel uit van de buurt of wijk. Om ook voor deze groep de drempel zo laag mogelijk te houden en het effect zo hoog mogelijk, zal de aanpak moeten inspelen op de kenmerken van deze groep.

Naar schatting leeft 6% van de Nederlanders in een sociaal isolement[1]. Deze mensen hebben weinig of geen betekenisvolle contacten en voelen zich daardoor eenzaam en veelal ongelukkig. Het Verklaringsmodel sociaal isolement van Hortulanus (2003) gaat in op de mogelijke oorzaken van een sociaal isolement. Zowel uit het model als uit het onderzoek van Machielse (2006) blijkt dat de groep mensen die in een sociaal isolement zit zeer divers is. Er zijn echter wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Het staat niet vast dat deze gemeenschappelijke kenmerken bij iedere persoon in een sociaal isolement van toepassing zijn:[2]

  • binding met de maatschappij ontbreekt of is minimaal;
  • de ‘eigen kring’ is beperkt en vaak destructief ingesteld;
  • het zelfvertrouwen is erg laag;
  • het wantrouwen naar de omgeving, zeker naar reguliere instituties is groot;
  • er is erg weinig grip of zelfs geen grip op de eigen situatie;
  • er is geen sprake van een zinvolle dagbesteding, dagstructuur en –ritme;
  • sterk beperkt zelfinzicht;
  • geen perspectief;
  • slachtoffermentaliteit;
  • er is vaak sprake van weinig draagkracht en energie;
  • er is vaak gebrek aan geld en er zijn schulden.

Dit zijn belangrijke zaken waar binnen menig traject al rekening mee wordt gehouden. Wanneer je hier een vraaggestuurde aanpak tegenover zet lijkt dit misschien voor mensen in een sociaal isolement een brug te ver. Niets is minder waar, door kleine stapjes naar een voor de bewoner gewenst perspectief is in veel gevallen meer mogelijk dan wordt gedacht.

 

Lees verder: Succesfactoren vraaggestuurde participatie


[1] Hortulanus, 2003

[2] Hortulanus, 2003. Machielse, 2006

 

 

Share

Reply