Visie op vraaggestuurde participatie - Keer het omKeer het om ?>
f l s
_

Visie op vraaggestuurde participatie

 

Dit onderdeel gaat dieper in op vraagsturing en participatie. De basis bestaat uit een mengsel van theorie en eigen ervaringen.         Het gaat om ervaringen in verschillende gemeenten in Nederland. Klik voor meer informatie:


>Vraaggestuurd vs. aanbodgericht

Een mooi voorbeeld is een wethouder die op een zaterdagavond tv zit te kijken en ‘De Opvoedpolitie’ ziet. “Dat is nog eens leuk, en het werkt ook nog!” zegt de wethouder tegen zichzelf. Op maandagmorgen gaat hij naar het hoofd van MO en legt daar deze opdracht neer: een project  zoals de opvoedpolitie om de problemen met de jeugd op te lossen, vooral in de aandachtswijk waar de meeste problemen spelen. Het hoofd MO legt dit neer bij een medewerker die een plan van aanpak maakt. Dit plan van aanpak is vervolgens leidend voor de opdrachtbeschrijving. De opdrachtbeschrijving wordt naar de partners in de stad gestuurd die hier een projectplan voor schrijven waarbij ze onvoldoende in gesprek gaan met bewoners. De opdracht wordt aan een partij gegund en die gaat er direct mee aan de slag. Na drie weken komt men erachter dat er geen manier is om binnen te komen bij gezinnen omdat de ouders niet zitten te wachten op opvoedkundige ondersteuning en al zeker niet van een soort van politie. Bovendien is het netwerk van de nieuwe opvoedpolitie klein waardoor ze moeilijk het vertrouwen van de bewoners winnen.

De traditionele aanpak staat haaks op de vraaggestuurde aanpak. In het figuur begint de vraaggestuurde aanpak bij de bewoner. Deze bewoner heeft een wens of een probleem waar hij/zij ondersteuning bij kan gebruiken. In de vraaggestuurde aanpak is de generalistisch werkende professional de spil in het gebied. Hij/zij kent de bewoners en de organisaties (inclusief bewonersinitiatieven) door present te zijn in de wijk. Veel mensen weten, hetzij via buren of vrienden of via bijvoorbeeld de thuiszorg, de weg naar de generalist te vinden. De generalist krijgt dus veel vragen binnen die hij oppakt. Wanneer de generalist trends ontdekt in de vragen die bij hem terechtkomen, legt hij deze vragen als eerste neer bij de bewoners zelf. Wat kunnen jullie zelf/samen doen om het probleem op te pakken? De professional ondersteunt de bewoners bij het (gezamenlijk) oplossen van problemen en het opzetten van projecten. Hierbij stelt hij ook zijn netwerk van woningbouw, zorgaanbieders, sociale dienst, bedrijfsleven etc. ter beschikking. Op deze wijze krijgt de nieuwe aanpak steeds meer draagvlak. De ambtenarij en politiek kunnen er niet meer omheen. Ze zien de waarde en zoeken naar mogelijkheden om de aanpak te ondersteunen. Uitgangspunt is dat er zoveel mogelijk wordt bekostigd uit reguliere middelen. Dit betekent ook dat de gemeente flexibeler met de verantwoordingseisen om moet gaan. Deze aanpak leidt tot meer resultaat omdat hij aansluit op de motivatie en wensen van de bewoners. Het leidt ook tot minder aanbod en dus kostenbesparing omdat er alleen aanpakken worden gestart waar vraag naar is.

Een ander voorbeeld is het landelijke gezondheidsprogramma dat de overheid is gestart om een gezondere levensstijl te bevorderen en overgewicht tegen te gaan. Een wethouder uit Overijssel noemde dit de omgekeerde wereld. De overheid die gaat bepalen dat iemand een probleem heeft en dan ook direct de oplossing aanbiedt in programma’s die te weinig aansluiten op de behoeften en levenswereld van de mensen voor wie ze bedoeld zijn. Deze gemeente startte een ronde van gesprekken met bewoners om een bewonersagenda vast te stellen. Wat willen de bewoners? Een van de uitkomsten van de ronde was een grote vraag naar beweging in de wijk. Een aantal vrouwen leek het leuk om eens in de week samen in het wijkgebouw te zumba’en  en daarna samen een drankje te drinken. En een vraag om kookles in het wijkgebouw, maar dan wel gezond! Zo kan het ook.

>Waarde van participatie of gewoonweg meedoen

Er is veel spraakverwarring over het begrip participatie, wat is het? Welke vormen heb je en wat zijn de verschillen? Om het overzichtelijk te houden heb ik het liever over meedoen. Onder meedoen versta ik de maatschappelijke participatie aan formele organisaties zoals vrijwilligers-werk bij een zorginstelling of het lidmaatschap bij een vereniging. Ook sociale participatie zoals het contact met vrienden, buren en familie vallen in mijn benadering onder meedoen.

 Meedoen’ doorbreekt armoede en sociaal isolement. Het ontmoeten van mensen en gezamenlijk de schouders ergens onder zetten om zo bijvoorbeeld iets voor een ander te betekenen, zorgt voor een toename van zelfvertrouwen en eigen kracht. Het inzicht en de ervaring dat wanneer je ergens energie in stopt het best wel eens een succes kan worden, heeft een positieve invloed op mensen.  Geen bevestiging door afwijzing of mislukking maar een succes! Deze successen werken stimulerend voor het individu maar ook voor zijn sociale netwerk. Dubbele winst dus. Naast belang van persoonlijke groei als effect van meedoen zijn er meer gebieden waar meedoen effect op heeft:

Gezondheid – De deelname aan maatschappelijke activiteiten kan volgens verschillende onderzoeken (Ruijsbroek & Droomers, 2008De Boer, 2009Morrow-Howell, 2010) een positief effect hebben op de gezondheid. Er worden in verschillende gemeenten pilots gestart waarbij de gemeente en zorgverzekeraars in preventie samen op werken. In Den Haag hebben de gemeente en de zorgverzekeraars de handen ineen geslagen om het gezondheidsprogramma “Beweeg mee” te realiseren. Dit met als doel overgewicht tegen te gaan en een gezonde levensstijl te bevorderen. Ook zijn er verbanden gevonden tussen werkloosheid en toename in mortaliteit en een achteruitgang in fysieke en mentale gezondheid (Scottish Government, 2012).

Leefbaarheid – Op maatschappelijk niveau kan participatie (RMO, 2008) leiden tot meer sociale cohesie en een grotere collectieve welvaart. Door een toename van sociale contacten wordt de sociale samenhang gestimuleerd (Putnam, 2000). Een toename van de sociale samenhang leidt tot een verbeterde leefbaarheid. Met name de sociaal stabiliserende invloed van participatie wordt onderstreept (K. Leidelmeijer 2012).

(Vrijwilligers-) Werk en inkomen – De toename in zelfvertrouwen in combinatie met de actieve deelname verkleint de afstand tot de arbeidsmarkt. Bewoners doen arbeidsritme op en ontwikkelen werknemerscompetenties. Daarnaast zijn mensen vaak niet op de hoogte van regelingen waar ze recht op hebben. Een goed voorbeeld hiervan is het jarenlange niet-gebruik van verschillende meedoen-regelingen die binnen het armoede/minimabeleid vallen.

>Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid

Het stimuleren van betrokkenheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers, organisaties en bedrijven. Door de krachten in de stad te benutten en binding te creëren, is er meer mogelijk. Door het optimaal benutten van de mogelijkheden en partijen in de stad kan met een relatief gering budget, op een zeer efficiënte en kostenbesparende wijze, een maximaal en duurzaam resultaat worden behaald. Dit zijn mooie woorden, hierbij een voorbeeld:

Voorbeeld: De Deventer Sportploeg

De Deventer Sportploeg is de meest bijzondere sportploeg van Deventer. Alle sporters hebben namelijk een verstandelijke beperking. Zij sporten bij verschillende reguliere sportverenigingen in de stad, op hun eigen niveau. De Deventer Sportploeg biedt verschillende reguliere sport-verenigingen ondersteuning en doet eens in de twee jaar mee aan de Special Olympics. Een aantal jaar geleden kwam het project Rechtop! in contact met de Deventer Sportploeg. De toenmalige wethouder had de Sportploeg voor de tweejaarlijkse bijdrage van 10.000 euro doorverwezen naar het project Rechtop! Rechtop! had echter een activiteitenbudget van 10.000 euro waar ze uit principe nooit een euro van heeft uitgegeven. Het gesprek over de bijdrage van 10.000 euro aan de Deventer Sportploeg liep daarom al snel vast. In het overleg waren we het er wel over eens dat de Sportploeg sowieso naar de Special Olympics moest. Toen gebeurde er iets moois: beide partijen gingen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid op zoek naar een oplossing. Al snel ontstond het idee om samen een actie te organiseren waar de Deventer Sportploeg zelf geld mee zou kunnen inzamelen, een benefietwedstrijd.

http://youtu.be/NFnwD_2D-64

Naast de binnengehaalde 13.000 euro werden er ook contacten gelegd met o.a. Telstar (kleding) en TCR (vervoerder). Deze contacten zijn vlak na de benefietwedstrijd verzilverd in langdurige sponsoring die ervoor heeft gezorgd dat de vaste kosten voor deelname aan de Special Olympics flink omlaag zijn gegaan.

Betrokken ondernemers en de Deventer politiek hebben gezamenlijk de Special Olympics bezocht. Ze waren onder de indruk van de sporters. Veel van deze ondernemingen zijn nog steeds verbonden aan de Deventer Sportploeg. Sindsdien heeft de Deventer Sportploeg de bijdrage van 10.000 euro niet meer nodig. Ze kunnen nog steeds geld gebruiken maar halen het op andere wijzen binnen.

 

>Iedereen doet mee

Bij het vraaggestuurd werken staan alle bewoners in de wijk centraal. Iedereen die ideeën heeft voor de wijk en/of zich in wil zetten is van harte welkom. Arm of rijk, jong of oud,  hoog of laag opgeleid, dik of dun, werkend of werkloos, iedereen doet mee!

Om daadwerkelijk zaken van de grond te krijgen is ieders inzet van belang. Dit sluit naadloos aan op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Het is zaak de kracht van de (mensen in de) wijk maximaal te benutten. De aanpak richt zich dus niet specifiek op de meest kwetsbaren. De ervaringen in bijvoorbeeld de gemeente Deventer leren wel dat deze groep het meeste baat heeft bij de aanpak.

Het specifiek richten op de meest kwetsbaren heeft nog een ander negatief effect. Het werkt stigmatisering in de hand. Stigmatisering kan volgens Goffman(1963) verschillende consequenties hebben. Ten eerste dat een persoon op basis van het afwijkende kenmerk (zoals bijvoorbeeld armoede) ook andere zaken krijgt toegekend zoals ‘die zal wel lui zijn’. Ten tweede kan het stigma leiden tot het vermijden van sociale contacten. Hierdoor kan men in een sociaal isolement raken waardoor de kans op depressie en onaangepast gedrag toeneemt. De tegenovergestelde reactie die ook voorkomt is het dusdanig overdrijven van het aangaan van sociale contacten dat de sociale omgeving dit over het algemeen niet waardeert. Ten slotte kan een stigma gebruikt worden als excuus voor het niet aangaan van uitdagingen. Genoeg reden om erg voorzichtig te zijn met het plakken van stikkers zoals minima, werkloze, autist, etc.

Het onderzoeksbureau Motivaction heeft in 2009 onderzoek gedaan naar burgerschapsstijlen. Dit met name om te kijken naar de oorzaak van de houding van mensen naar de (semi) overheid. In het onderzoek worden de volgende vier verschillende types onderscheiden: de plichtsgetrouwen, de pragmatici, de verantwoordelijken en de buitenstaanders. Vooral de laatste groep is interessant en kenmerkt zich door:

  • Benadering als afwachtende klant, oplossing moet gemakkelijk en kant en klaar.
  • Inactief, wantrouwend als participant.
  • Intolerant en egocentrisch.

Motivaction schat in dat ongeveer 32% van de Nederlanders tot de groep van buitenstaanders behoort. Binnen de wijken waarop het participatiebeleid zich richt, ligt het percentage buitenstaanders naar schatting tweemaal zo hoog.

Een project, aanpak of organisatie kan, voordat er ook maar iets is gedaan, op zijn beurt ook last hebben van een stigma dat bijvoorbeeld wantrouwen vanuit bewoners met zich mee brengt. Daarnaast kan er door communicatie van en over het project een extra stigma ontstaan. Neem bijvoorbeeld een project dat armoede aanpakt. Wanneer men dit project een minimaproject of armoedeproject noemt, zal het erg lastig worden om hier bijvoorbeeld vrijwilligers voor te vinden. Dit omdat niemand geassocieerd wil worden met minima of armoede. De naam van het project is hier natuurlijk maar een klein onderdeel van. Het belangrijkste is dat het project een open en positief karakter heeft. Iedereen kan en mag meedoen!

Tegelijkertijd maakt de kwetsbare groep wel onderdeel uit van de buurt of wijk. Om ook voor deze groep de drempel zo laag mogelijk te houden en het effect zo hoog mogelijk, zal de aanpak moeten inspelen op de kenmerken van deze groep.

Naar schatting leeft 6% van de Nederlanders in een sociaal isolement[1]. Deze mensen hebben weinig of geen betekenisvolle contacten en voelen zich daardoor eenzaam en veelal ongelukkig. Het Verklaringsmodel sociaal isolement van Hortulanus (2003) gaat in op de mogelijke oorzaken van een sociaal isolement. Zowel uit het model als uit het onderzoek van Machielse (2006) blijkt dat de groep mensen die in een sociaal isolement zit zeer divers is. Er zijn echter wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Het staat niet vast dat deze gemeenschappelijke kenmerken bij iedere persoon in een sociaal isolement van toepassing zijn:[2]

  • binding met de maatschappij ontbreekt of is minimaal;
  • de ‘eigen kring’ is beperkt en vaak destructief ingesteld;
  • het zelfvertrouwen is erg laag;
  • het wantrouwen naar de omgeving, zeker naar reguliere instituties is groot;
  • er is erg weinig grip of zelfs geen grip op de eigen situatie;
  • er is geen sprake van een zinvolle dagbesteding, dagstructuur en –ritme;
  • sterk beperkt zelfinzicht;
  • geen perspectief;
  • slachtoffermentaliteit;
  • er is vaak sprake van weinig draagkracht en energie;
  • er is vaak gebrek aan geld en er zijn schulden.

Dit zijn belangrijke zaken waar binnen menig traject al rekening mee wordt gehouden. Wanneer je hier een vraaggestuurde aanpak tegenover zet lijkt dit misschien voor mensen in een sociaal isolement een brug te ver. Niets is minder waar, door kleine stapjes naar een voor de bewoner gewenst perspectief is in veel gevallen meer mogelijk dan wordt gedacht.


[1] Hortulanus, 2003

[2] Hortulanus, 2003. Machielse, 2006

>Succesfactoren vraaggestuurde participatie

Uit verschillende projecten komen de volgende succesfactoren telkens, in meer of mindere mate, terug:

  • positieve insteek (wanneer gepast, met humor) gericht op de kracht en het talent van mensen;
  • faciliterende rol voor de overheid;
  • brede verantwoordelijkheid van alle partijen in de wijk/stad;
  • ondernemende aanpak;
  • benutten ervaringsdeskundigheid deelnemers;
  • het talent en de vraag van deelnemers staan centraal;
  • de aanpak is van en voor burgers. De professional stimuleert, faciliteert en creëert groei mogelijkheden;
  • empowerment middels concrete projecten en activiteiten;
  • activiteiten met maatschappelijk nut;
  • faciliterende en stimulerende omgeving;
  • bieden van een nieuw sociaal en stimulerend netwerk;
  • laagdrempelige aanpak en lichte organisatie.

Veel van bovenstaande factoren passen niet in het huidige systeem. In de huidige ontwikkelingen kan er wel ruimte ontstaan om een landingsbaan te creëren waardoor er ruimte ontstaat om aanpakken te integreren in de bestaande werkwijze in wijken. Dit gaat niet vanzelf, maar er zijn zeker goede voorbeelden die laten zien dat het werkt. Een consistente lijn van de bewoners naar het bestuur is hierin een absolute vereiste (bottom-up). Hierin spelen de professionals een belangrijke rol.

>Voorwaarden en de rol van de professional

Het stimuleren en faciliteren van participatie van kwetsbare groepen vraagt om constant balanceren tussen verleiden, aanpakken, terugleggen, uitdagen en relativeren. In de afgelopen jaren is door verschillende projecten/aanpakken aangetoond dat de volgende zaken essentieel zijn voor het in beweging brengen van mensen:

  • benadering en omgeving worden als veilig, vertrouwd, respectvol en stimulerend ervaren;
  • er wordt perspectief geboden en gedacht/gewerkt in kansen en mogelijkheden;
  • successen worden uitvergroot en gevierd;
  • deelname is vrij, geen druk en/of verborgen agenda;
  • zichtbare resultaten voor individu maar ook de omgeving.

Het toekomstperspectief is voor iedereen verschillend en wordt bepaald door drijfveren. Iedereen heeft drijfveren die rusten op een sterke intrinsieke motivatie. Het is zaak hier als professional op aan te sluiten.

De slagingskans is afhankelijk van de volgende factoren:

  • verwachtingen en motivatie;
  • gehanteerde methodiek;
  • relatie tussen bewoner en professional;
  • de sociale omgeving.

Vooral de sociale omgeving heeft grote invloed op de slagingskans van de veranderingsslag. Wanneer het individu zijn gedrag verandert op weg naar een nieuw perspectief kan er afstand ontstaan tot zijn sociale omgeving zoals familie en vrienden. Volgens Tajfel (1978) is de sociale omgeving voor veel mensen bepalend voor hun sociale identiteit. Een verandering van koers en zelf het heft in handen nemen, kan dus grote gevolgen hebben voor het individu. Het is zaak voor de professional om dit proces zorgvuldig te begeleiden. Dit kan door bij te dragen aan het doorbreken van de veelal destructieve context en deze te vervangen of uit te breiden met een meer constructieve, opbouwende en stimulerende omgeving.

>Wie weet het beter? De waarde van ervaringsdeskundigheid

De meeste mensen weten vaak dondersgoed wat ze nodig hebben om uit een ongewenste situatie te komen en hebben hier in veel gevallen al een brede ervaring in opgedaan. Jammer genoeg  benaderen veel professionals en organisaties bewoners of klanten als hulpvragers. Een man van middelbare leeftijd zei ooit: Ik heb verschillende abonnementen voor mijn zorg en hulpvragen. Mijn problemen met inkomen leg ik bij de gemeente neer, verslavingsproblemen bij de verslavingszorg, etc.. Dit terwijl veel mensen door schade en schande wijzer zijn geworden en op basis van hun ervaring vaak goede ideeën hebben over hoe de dienstverlening beter zou kunnen. Door deze ervaringsdeskundigheid te gebruiken kan dienstverlening aan kwaliteit winnen.

Vanaf de wederopbouw na de tweede wereldoorlog is er in Nederland gewerkt aan een sociaal systeem dat er in eerste instantie voor moest zorgen dat er nooit meer honger zou zijn. Na verloop van tijd zijn er meer aandachtgebieden bij gekomen zoals zorg, welzijn en werk. Dit systeem is in de afgelopen 60 jaar uitgegroeid tot een veelkoppig monster. Door regels en procedures is het systeem verwijderd geraakt van wat mensen daadwerkelijk nodig hebben. Hierdoor zijn er twee werelden ontstaan, de leefwereld en de systeemwereld. De systeemwereld bestaat uit alle ontwikkelde instellingen, structuren, regels  en procedures. De leefwereld is ervaringswereld waarin iedereen met elkaar samenleeft, buiten de opgezette structuren om. Deze werelden zijn steeds verder uitelkaar gegroeid en sluiten in veel gevallen niet meer op elkaar aan. Het gebruik van ervaringsdeskundigheid kan er aan bijdragen dat deze binding wordt hersteld.

Share

Reply